De schaar in de pensioenknip?

1 november, geplaatst in Ondernemer / DGA, Werknemer / Lid OR

Beleggen is leuk zolang het goed gaat, maar bij aanhoudende tegenvallende resultaten slaat de stemming op een gegeven moment om. Inmiddels is het te laat om het beleggingsverlies terug te draaien. Hopen op een toekomst met betere resultaten is dan het enige wat overblijft. In dat licht kunnen we ook het Besluit in verband met de tijdelijke pensioenknip zien ( Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 15 juli 2009, nr. AV/PB/2009/14387). Heeft dit Besluit zijn doel bereikt? Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna te noemen Ministerie van SoZaWe) wil het Besluit evalueren.

Met de kredietcrisis kwam de financiële crisis en de daarop volgende economische crisis. Dit werd dikwijls gevolgd door een persoonlijke crisis: langer tussen twee banen in, meer hypotheek dan huis, hogere inflatie dan rente op het spaargeld en je puberend kind dat om geld vraagt omdat de telefoonrekening weer hoger is dan het zakgeld. Een gevolg van de kredietcrisis was dat beurskoersen alleen nog in een grafiek pasten als aan de krantenpagina aan de onderkant een stukje werd bijgeplakt. Dalende beurskoersen hadden ook hun invloed op belegd vermogen in beschikbare premieregelingen. Degene die op dat moment de pensioendatum bereikte, moest van het gedecimeerde pensioenkapitaal een levenslang pensioen aankopen. Vaak tientallen procenten lager dan waarop in de jaren daarvoor was gerekend. Het Ministerie van SoZaWe nam daarop een besluit, daartoe ingefluisterd door de markt. In dit artikel behandel ik eerst kort het hierboven aangehaalde besluit. Daarna ga ik in op mijn waarneming van de praktijk en analyseer de praktijk in het licht van een aantal factoren.

Het besluit: de aanleiding
Het besluit is ingegeven door dalende beleggingswaarden en een lage rentestand. Zo staat in de Handleiding Pensioenknip (versie 15 juli 2009) te lezen. Beide aanleidingen gelden voor zuivere premieovereenkomsten; de laatste, de lage rentestand, ook voor kapitaalovereenkomsten. In de Pensioenwet is in artikel 52 het life-cycle-principe vastgelegd: hoe dichter bij de pensioendatum, des lager het beleggingsrisico van het opgebouwde pensioenvermogen mag zijn. Dit artikel is echter pas in werking getreden op 1 januari 2008. Voor pensioenkapitaal dat daarna al vrij snel expireerde had dit artikel weinig tot geen invloed. De minister onderkende het probleem en vaardigde aldus het besluit uit. De andere aanleiding voor het Besluit was de lage rentestand. Hoe lager de rente, des te lager het aan te kopen pensioen. Een levenslang gevolg van een momentopname.

Een korte uitleg van het besluit
Het besluit beoogde een mogelijkheid te bieden om het effect van gedaald belegd pensioenvermogen en de lage rentestand op het aan te kopen pensioen later te verzachten, te herstellen of zelfs te overcompenseren. Het is met het besluit mogelijk om eerst een tijdelijke pensioenuitkering aan te kopen met een duur van maximaal vijf jaar. Het daarvoor benodigde kapitaal wordt afgetrokken van het totaal beschikbare kapitaal. Het restant wordt maximaal voor vijf jaar doorgeschoven. De einddatum van de tijdelijke pensioenuitkering moet precies aansluiten op de datum waarop het uitgestelde restant pensioenkapitaal expireert. Van dit kapitaal moet vervolgens aansluitend een levenslang pensioen worden aangekocht. Dit pensioen kan hoger of lager zijn dan de tijdelijke pensioenuitkering. Dat hangt onder andere af van de hoogte van het kapitaal, de rentestand, toe te passen sterftetafels en kostenopslagen. De hoogte van de tijdelijke pensioenuitkering is even hoog als er voor het totale kapitaal op de oorspronkelijke pensioendatum aan levenslang pensioen aangekocht kan worden.

De pensioenuitkeringen variabiliseren is ook nog toegestaan, mits de toegestane bandbreedte van 100 : 75 in beginsel niet wordt overschreden. Door de systematiek van de pensioenknip kan de situatie ontstaan dat de bandbreedte wordt overschreden. Dat is, zo staat in het besluit te lezen, geen probleem, mits de uitkeringen maar aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoen. In dit artikel ga ik daar niet nader op in.

De praktijk bij pensioenuitvoerders
Komt een man bij de pensioenadviseur. Hij wil advies over het naderende einde van zijn pensioencontract of –polis en wat hij dan met het kapitaal kan. Al zoekend naar mogelijkheden komen we de eerste beperking bij pensioenverzekeraars al tegen. In het besluit staat dat een pensioenuitvoerder verplicht moet meewerken aan het verzoek van de aanspraakgerechtigde het pensioenkapitaal te splitsen. De praktijk leert dat niet alle verzekeraars aan een splitsingsverzoek willen of kunnen meewerken. Dan hebben we het over de verzekeraar waar ook het pensioenkapitaal expireert. De mogelijkheid tot shoppen met het expirerende pensioenkapitaal wordt niet gehinderd door het besluit. In de praktijk blijkt dit echter nauwelijks inhoud te hebben. Andere pensioenuitvoerders dan de pensioenuitvoerder waar het kapitaal expireert, willen of kunnen niet of met veel hangen en wurgen meewerken aan een verzoek tot het maken van een offerte waarbij de pensioenknip wordt uitgevoerd.

De praktijk bij de pensioengerechtigde
Voordat ik verder ga is het nodig te vermelden dat alle cliënten waarvoor wij advies hebben mogen uitbrengen, vooraf al (zwaar) teleurgesteld waren over de hoogte van het expiratiekapitaal en de daaruit, door ons berekende indicatieve te ontvangen pensioenuitkeringen. Het eerste heeft meestal te maken met de gevolgen van de kredietcrisis en gedaalde beurskoersen; het tweede met de lagere rentestand dan die in de Uniforme pensioen Overzichten (UPO’s) werd voorgespiegeld. Met begrip voor de teleurstelling brengen we de mogelijkheid van de pensioenknip in stelling en leggen de bijna gepensioneerde uit hoe het werkt. Zodra deze het snapt en hiervan wel eens offertes wil zien, lopen wij tegen het probleem aan van de pensioenuitvoerders: geen of met moeite een offerte.

In die situaties waar we offertes konden opvragen, lieten we de mogelijkheid tot een kapitaal op basis van beleggingen en een gegarandeerd kapitaal in de offertes uitwerken. De combinatie van kosten voor het tijdelijke direct ingaand pensioen, de kosten van het uitgestelde kapitaal, de lage garantie en het ‘verlies’ van sterftewinst is geen winnende combinatie als het uitgestelde kapitaal als garantiekapitaal verzekerd moet worden. Daarbij uiteraard rekening houdend met een gelijke rentestand op de pensioendatum als op de expiratiedatum van het uitgestelde kapitaal. Er is alleen een hoger levenslang pensioen aan te kopen dan het tijdelijke, als we aannemen dat de rentestand voor de aankoop van dat levenslange pensioen uit het uitgestelde kapitaal hoger is dan die geldt voor de tijdelijke pensioenuitkering. Op dat moment verschijnt meestal het eerste vraagteken in de ogen van de cliënt, gevolgd door de vraag: “denkt u dat de rente gaat stijgen?” Op die vragen geef ik vaak als antwoord: “als ik dat wist, zat ik hier niet met u.”

Dan blijft de beleggingsvariant nog over. Terwijl we dit bespreken met de cliënt, verschijnt al rap het tweede vraagteken, gevolgd door de vraag: “wat denkt u welk rendement ik kan halen?” Moet ik u, lezers mijn reactie nog uitleggen?

Andere beïnvloedende factoren
De cliënt die pensioenknippen overweegt, wordt dus opgezadeld met twee onzekerheden: wat gaat de rente doen en kan ik wel een beleggingsrendement halen waardoor mijn levenslange pensioenuitkeringen hoger worden dan mijn tijdelijke. Maar daar houden de onzekerheden niet mee op. Ik ken eigenlijk geen mensen die zich niet laten beïnvloeden door omgevingsfactoren die van invloed zijn op hun (verworven) zekerheden. Bij de onzekerheden die de misschien pensioenknippende cliënt al heeft, komt ook nog het consumentenvertrouwen. Of juist het gebrek daar aan. In de grafiek hieronder kunnen we zien dat het consumentenvertrouwen sinds 2008 al negatief is.


Werpen we echter even een blik op het verloop van de AEX sinds de pensioenknip mogelijk is (15 juli 2009), dan zien we dat deze met 43% is gestegen (van ca. 258 naar ca. 370).

Dan de rente. Op de vraag of de lage rente nog lang zo zal blijven, werd ook door experts in 2009 anders op geantwoord dan de realiteit ons heeft geleerd. Ook dat voedt bij bijna gepensioneerden met zuivere premieovereenkomsten of kapitaalovereenkomsten de onzekerheid. Uit de rentegrafiek die u hieronder kunt zien, blijkt in ieder geval dat de angst voor een laag blijvende rente tot op heden gegrond is. En weet u wat de rente de komende jaren, tot 1 januari 2019 gaat doen? Tot die datum mag immers het laatst geknipte uitgestelde kapitaal tot uitkering komen. Is uw antwoord hetzelfde als dat van mij op de vragen van onze cliënten?

Nog een factor: de sterftekans oftewel, het langlevenrisico. In de adviesgesprekken met onze cliënten benoemen we dit ook. Als over vijf jaar blijkt dat mensen nog langer leven dan nu al het geval is, dan zullen verzekeraars hun tarieven zodanig aanpassen dat daardoor pensioenuitkeringen lager uitvallen dan wat de cliënt nu kan krijgen.

En last but not least: de dekkingsgraad van pensioenfondsen. In de grafiek hierna kunnen we zien dat de dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen sinds het vierde kwartaal van 2008 bijna structureel te laag is. We vertellen de bijna gepensioneerde dat zijn problematiek los staat van dat van de pensioenfondsen, maar dat er wel deels dezelfde factoren aan ten grondslag liggen: de lage rente en het langlevenrisico. De cliënt begrijpt dat als we het uitleggen. Hij kan het ook onthouden, maar zijn gemoedsonrust wordt daarmee niet gesust.

Ratio versus emotie
De rente is de laatste tientallen jaren nog nooit zo laag geweest als nu en kan dus alleen maar stijgen.(?) De afgelopen jaren hebben we bijna alleen maar stijgende beurskoersen gezien. Het besluit van het Ministerie van SoZaWe van de pensioenknip is er niet voor niets gekomen. Allemaal argumenten om voor de pensioenknip te kiezen. Waarom gebeurt het dan toch zo weinig? Ik vrees dat we Victor Lamme, hoogleraar en hersenonderzoeker bij de afdeling Psychologie van de Universiteit van Amsterdam gelijk moeten geven. Hij stelt dat “een brein niet van onzekerheid houdt, want onzekerheid is angst. En een prikkel die angst oproept, willen we ontlopen.” De aanstaande gepensioneerde kiest, als we Victor Lamme en onze eigen praktijkervaring volgen, niet voor de pensioenknip omdat hij angst mijdt. Het meest voorkomende argument dat wij van cliënten horen die niet voor de pensioenknip kiezen, is dat nu ze in rustiger vaarwater terecht zijn gekomen, niet willen hoeven denken aan hoe hun pensioen er over vijf jaar voor zal staan. Ze kopen dus nu zekerheid in, kopen zo onzekerheid in de toekomst af, ondanks de tegenargumenten die ik eerder aanhaalde.

Pensioenknip verlengen?
Het besluit geeft de mogelijkheid om pensioenkapitaal uiterlijk tot en met 31 december 2013 te knippen in een direct ingaand tijdelijk pensioen met een maximale duur van vijf jaar en een uit te stellen deel met een zelfde looptijd als de duur van de tijdelijke pensioenuitkering. Vanaf 1 januari 2014 is pensioenknippen op grond van het besluit dus niet meer mogelijk. De vraag of het besluit verlengd moet worden, is gezien hetgeen ik hiervoor heb geschreven eigenlijk al beantwoord: verlenging is niet nodig. Zeker niet voor het gros van aanstaande gepensioneerden. Toch vind ik dat het besluit wel verlengd moet worden. Eigenlijk om twee redenen.

De eerste reden is dat het sentiment wat veroorzaakt wordt door de wereld waarin we leven kan veranderen. Als na een langere periode blijkt dat beurskoersen maar zijn blijven stijgen, de rente is gestegen het langlevenrisico niet significant is toegenomen en de koopkracht al jaren weer in de plus zit, dan voelt pensioenknippen misschien helemaal niet meer onzeker aan. En volgens Victor Lamme is er dan ook geen angst. Het ontbreekt immers aan prikkels die tot angst leiden.

De tweede reden is dat onze overheid in pensioenland zich teveel gedraagt als een paard wat achter de wagen aanhobbelt. Vanuit een gedachte die 40, 50 of misschien wel 60 jaar geleden is ontstaan, hebben veel van onze nu nog bestaande pensioenregelingen vorm gekregen. Ondertussen is de maatschappij behoorlijk veranderd. We zijn mondiger (maar niet altijd verstandiger) geworden. Pensioenrecht en aanrecht gaan in de meeste huishoudens gemengd heel goed samen. De verhouding van onze bezittingen en schulden is verschoven. Waarom is dan bijvoorbeeld nog steeds het levenslang partnerpensioen een percentage maal de diensttijd maal de pensioengrondslag? Waarom geen eenmalige uitkering ineens ter grootte van twee of drie jaarsalarissen? Naar mijn mening is de overheid al jaren de grip op de combinatie pensioen en samenleving kwijt. En zolang houdt ze ook al, vanwege de angst om nog meer grip te verliezen, de billen bij elkaar geknepen. Vandaar dat dat pepermuntje zoek is.

Dit artikel is tevens geplaatst in Pensioen Advies nr. 9 – jaargang 24 – september 2013