Verkeerd uitstellen van DGA-pensioen leidt tot fiscale claim

18 december, geplaatst in Accountant / Fiscalist / Advocaat / Notaris / HR Adviseur, Ondernemer / DGA

Ondernemers, directeur-grootaandeel-houders (DGA’s) gaan gemiddeld later met pensioen dan werknemers. De financiële situatie van de DGA of zijn onderneming is daarvan de laatste tijd steeds meer de oorzaak. De voorgenomen pensioenleef-tijd van 60 jaar sneuvelt en schuift op naar 65 jaar. Het niet laten uitkeren van pensioen door de BV kan verstrekkende fiscale gevolgen hebben.

De wet- en regelgeving rond de pensioenopbouw is met name sinds 1999 enorm veranderd. De bijtelling van de auto van de zaak bijvoorbeeld mocht voorheen als pensioengevend inkomen meetellen. Sinds 2004 is dat niet meer mogelijk. Zo werd het voor jongere DGA’s ook niet meer mogelijk om een overbruggingspensioen tussen bijvoorbeeld 60 en 65 jaar bij elkaar te sparen (VPL-wetgeving). Pensioenbrieven of –overeenkomsten moesten uiterlijk 31 december 2006 zijn aangepast aan de nieuwe pensioenleeftijd van 65 jaar. Op dat punt gaat het nu nog al eens fout.

Keuze voor pensioen laten ingaan of uitstellen
Het is nog steeds mogelijk om als DGA op 60-jarige leeftijd met pensioen te gaan. We gaan hier niet verder in op de spelregels die daarvoor in acht genomen moeten worden. Als de DGA vervolgens beslist om nog niet op 60-jarige leeftijd met pensioen te gaan, dan moet er iets gebeuren met het opgebouwde pensioen. Sinds kort is het mogelijk om het pensioen wel door de BV te laten uitkeren en ook gewoon voor 100% te blijven doorwerken. Als de DGA de pensioeninkomsten echter niet nodig heeft, of de BV kan het gewoonweg vanwege de financiële situatie (nog) niet uitkeren, dan moeten de tot 60-jarige leeftijd opgebouwde pensioenaanspraken uitgesteld worden.

Rente, sterftekans en actuarieel uitstellen
Pensioenuitkeringen zijn uitkeringen in geld. Die uitkeringen worden gedaan uit een ‘pot met geld’. De hoogte van die pot met geld wordt o.a. berekend aan de hand van rente en sterftekansen. De pensioenpot op 60 jaar heeft ook met die rente en sterftecomponenten te maken als het pensioen nog niet uitgekeerd wordt. Als de pensioenuitkeringen pas moeten ingaan bij 65 jaar, dan kan die pot met geld nog vijf jaar lang oprenten met minimaal 4,0% per jaar. Ook is de sterftekans en daarmee de levensverwachting van de DGA bij 60 jaar anders dan bij 65 jaar. Het is dus logisch dat dit invloed heeft op de hoogte van de pot met pensioengeld.
De beschrijving hierboven is wat simplistisch. Anders gezegd gaat het zo: de pensioenuitkeringen die hadden moeten worden uitgekeerd van 60 tot 65 jaar moeten actuarieel uitgesteld worden naar 65 jaar. Daarmee worden deze aanspraken, die dus nog niet worden uitgekeerd, opgeteld bij het op 65-jarige leeftijd in te gane pensioen. Actuariële uitstel levert hogere pensioenaanspraken op.

Waar gaat het wel fout?
In die gevallen waarin de DGA het pensioen van 60 tot 65 jaar niet laat uitkeren, maar deze ook niet actuarieel uitstelt naar 65 jaar, gaat het fout. Het pensioen dat op 65 jaar ingaat, verandert hiermee dus niet ten opzichte van de oude situatie. In Vraag & Antwoord 11-027 op 28 november 2011 antwoordt de Belastingdienst dat er in een dergelijke situatie sprake is van afzien van pensioenaanspraken. Dit heeft fiscale gevolgen. De hele(!) pensioenaanspraak is dan in één keer belast. De pensioenvoorziening valt vrij en de waarde van de pensioenaanspraken in het economische verkeer worden beschouwd als loon uit dienstbetrekking waarover vervolgens belasting geheven wordt. Daar bovenop kan de Belastingdienst nog een extra heffing van 20% revisierente opleggen.

Actiepunten
Wel toegezegd maar niet uit te keren pensioen moet dus actuarieel uitgesteld worden. Daarvoor moet een aparte actuariële berekening gemaakt worden. Daarmee is het fiscale gevaar echter nog niet geweken. De pensioenbrief of –overeenkomst heeft immers een pensioenleeftijd die uitgesteld moet worden. Dit moet, met verwijzing naar de pensioenbrief of –overeenkomst, nauwkeurig worden vastgelegd in AVA-notulen met addendum. De actuariële berekening sluit daar uiteraard op aan.

Fiscale en commerciële waardering
De waarde in het economisch verkeer, de commerciële waardering is hoger dan de fiscale waarde. De fiscale waarde staat op de balans van de BV. Hierin mag geen rekening gehouden worden met een lagere rente dan 4,0%, een stijgende levensverwachting en kosten. Om die redenen kan de commerciële waarde zo maar 25 tot 65% hoger liggen dan de voorziening op de balans.