Ons nieuwe pensioenstelsel – deel 1: verandering is noodzakelijk

25 februari 2019 | Alle artikelen

2019, 25 februari – “Never change a winning team.” Een gevleugelde uit-spraak. Nederland heeft het beste pensioenstelsel ter wereld en toch gaan we het veranderen. Waarom willen we dit ‘winnend team’ dan veranderen? Dat gaan we proberen uit te leggen. In een reeks van drie artikelen gaan we in op de grote lijnen van ons nieuwe pensioenstelsel, de gevolgen daarvan en als laatste de oplossingen om de veranderingen zo goed mogelijk voor iedereen te laten verlopen.

Op 4 juni 2010 sloten sociale partners al een pensioenakkoord. Sociale partners zijn vertegenwoordigers van werknemers(-) en werkgevers(-organisaties). We waren ons er toen al van bewust dat het pensioenstelsel barsten en scheuren vertoonde en dat verandering noodzakelijk is. Dat was 2010. Het is inmiddels 2019.

Bijna een nieuw pensioenakkoord
Ondertussen ging er van alles mis en hebben we nog geen definitief pensioenakkoord. Dat was er eind 2018 bijna, maar onderhandelaars konden het weer niet met elkaar eens worden. We laten even in het midden wie nu de onruststokers waren, maar kunnen u wel verklappen dat een ‘njet’ van deze club een verband schijnt te maken met de gemiddelde leeftijd van de achterban, de leden. Praten voor eigen parochie in de plaats van naar een toekomstbestendige oplossing toe willen dus. Minister Wouter Koolmees van SZW vond het inmiddels welletjes en  heeft besloten om het gestrande pensioenakkoord weer vlot te trekken. Hij gaat zelf een plan opstellen en hoopt dat de sociale partners hier straks in mee willen gaan.

De doorsneepremie
De meeste werkende Nederlanders bouwen pensioen op bij een pensioenfonds. De werknemers en werkgevers betalen samen de premie. Als de werknemer met pensioen gaat, keert het pensioenfonds zijn of haar pensioen uit. We laten andere pensioenuitvoerders zoals verzekeraars en premie pensioeninstellingen nu even buiten beschouwing. Daar komen we later nog op terug.

De premie die het pensioenfonds van werkgevers en werknemers vraagt, is een doorsneepremie. Dat werkt zo. Stel de door-sneepremie is 20% van de pensioengrondslag. De pensioen-grondslag is het bruto jaarsalaris minus een deel wat we de AOW-franchise noemen. Stel je bent 25 jaar, je verdient € 45.000 bruto per jaar en de AOW-franchise is € 15.000. De pensioenpremie die jij en je werkgever betalen is dan € 30.000 maal 20% is € 6.000 per jaar. Best veel hè?! Stel je oudere collega is 55 jaar en verdient ook € 45.000. Zijn pensioenpremie is dan ook € 6.000 per jaar. Met die premie bouwen jullie beiden evenveel pensioen op.

Een even hoge premie dus, maar toch is dat niet eerlijk omdat het niet klopt. Jouw premie kan namelijk nog heel lang rendement maken tot je met pensioen gaat, maar van je oudere collega is dat veel minder lang. Hij is immers 30 jaar ouder. Omdat jij nog veel rendement maakt op je premie, zou jouw pensioenpremie dus veel lager moeten zijn dan die van je oudere collega. Maar dat is nu dus niet zo. Jonge werkenden betalen dus eigenlijk een deel van hun pensioenpremie voor oudere werkenden. En die solidariteit staat nu onder druk. Nu hebben we de doorsneepremie uitgelegd.

 

Teveel gepensioneerden, te weinig werkenden
Toen we in de jaren 60 van de vorige eeuw begonnen met pensioenopbouw, waren er veel meer werknemers die samen met hun werkgevers pensioenpremie betaalden en pensioen opbouwden dan gepensioneerden die pensioen ontvingen. De pensioenpotten van de pensioenfondsen stroomden dus vol. Die verhoudingen tussen werkenden en gepensioneerden is intussen behoorlijk veranderd en gaat nog meer veranderen: naar verhouding komen er steeds meer gepensioneerden. Steeds minder mensen moeten voor steeds meer mensen dus pensioenpremie betalen. De pensioenpremie moet dus eigenlijk fors omhoog en dat willen de sociale partners niet. “Maar” zul je misschien zeggen “er zit 1.500 miljard euro in die pensioenpotten, dat is toch wel genoeg om al die pensioenen te kunnen uitkeren?” Ja en nee.

De goed gevulde pensioenpotten
Wat we met elkaar aan pensioen bij elkaar gespaard hebben, is nog nooit zoveel geweest als wat we nu hebben. Tegenover deze enorme pensioenpot van 1.500 miljard euro staat de belofte aan iedereen die pensioen opgebouwd heeft en daar nu al dan niet al van geniet, dat dat dit levenslang uitgekeerd moet worden. En daar zit een deel van het probleem. Toen de pensioenpremies werden berekend en de pensioenen steeds werden verhoogd, jaren geleden, werd er nog te weinig rekening gehouden met dat we gemiddeld langer leven en dus de pensioenfondsen langer moeten uitkeren. Daar komt nog bij dat we al best lang een lage rente hebben, deze in de nabije toekomst niet echt lijkt te gaan stijgen en dat pensioenfondsen daar last van hebben. Het werkt namelijk zo dat hoe lager de rente is, hoe meer geld pensioenfondsen in kas moeten hebben. Omgekeerd geldt het ook. Dat hebben we zo met elkaar afgesproken en is in principe een prima afspraak.

Nu hebben we in grote lijnen geschetst hoe het huidige pensioenstelsel werkt en welke problemen dat oplevert. Hierna vertellen we over de grote lijnen van het nieuwe pensioenstelsel, maar eerst nog even dit.

Pensioenregelingen bij verzekeraars, premiepensioeninstellingen en algemeen pensioenfondsen
Eerder schreven we al dat we deze pensioenpartijen even buiten beschouwing laten en er later op terugkomen. Bij deze. Pensioenfondsen brengen werkgevers en werknemers doorsneepremies in rekening. Verzekeraars, premiepensioeninstellingen en algemeen pensioenfondsen doen dat niet. Deze pensioenpartijen vragen de premie die precies past bij de leeftijd en/of de hoogte van het pensioen wat opgebouwd moet worden. Zo hoeft voor een jongere werknemer minder pensioenpremie dan voor een oudere werknemer voor hetzelfde pensioen betaald te worden als ze beiden hetzelfde salaris hebben. Dat heet ook wel de actuariële premie.

De grote lijnen van ons nieuwe pensioenstelsel
De doorsneepremie gaat verdwijnen. Hier voor in de plaats komt een gelijke premie voor iedereen. Dat lijkt hetzelfde, maar is het niet. Bij die gelijke premie betaal je als jongere werknemer nog wel evenveel als je oudere collega. Zie ook het voorbeeld onder ‘De doorsneepremie’. Met de gelijke premie bouwt de jongere werknemer echter meer pensioen op dan de oudere collega. Die pensioenpremie van die oudere collega kan immers nog maar veel korter rendement maken. Werknemers merken het dus niet zozeer nu, als wel later als ze met pensioen gaan in hun portemonnee.

Nu gaan we verder over die enorme pensioenpot. In ons nieuwe pensioenstelsel wordt de hoogte van de pensioenuitkering minder zeker. Nu is het nog zo dat pensioenen alleen gekort , lager mogen worden, als het pensioenfonds te weinig geld in kas heeft. Aan de andere kant, als het pensioenfonds teveel geld in kas heeft, dan kunnen pensioenen verhoogd, geïndexeerd worden. In ons nieuwe pensioenstelsel kan de hoogte van de pensioenen sneller en beter op en neer bewegen met de hoeveelheid geld die het pensioenfonds in kas heeft.

Dit is in het kort hoe ons nieuwe pensioenstelsel moet gaan werken. Als er tenminste een akkoord over komt.

Zijn we er dan?
Elke verandering levert weerstand op. Zelfs een salarisverhoging want het had wel meer kunnen zijn. De overgang van ons huidige naar ons nieuwe pensioenstelsel levert heel veel veranderingen op. Met een akkoord zijn we er dus nog lang niet. De veranderingen hebben namelijk grote gevolgen. Hier schrijven we de volgende keer over. Ondertussen wachten we in spanning het plan van minister Koolmees af.

 

© 2004 - 2019 - Mollema Pensioen Consultancy.
Ontwikkeld door Convident