Einde aan het eigen beheer pensioen van de DGA?

2 juli, geplaatst in Accountant / Fiscalist / Advocaat / Notaris / HR Adviseur, Ondernemer / DGA, Werkgever

Op woenswiebes-1024x682dag 1 juli 2015 heeft de Staatssecretaris van Financiën, Eric Wiebes, met een langverwachte brief de Tweede Kamer geïnformeerd over de mogelijke oplossings-richtingen voor het pensioen in eigen beheer van de BV. De staatssecretaris biedt twee mogelijk oplossingen en de mogelijke overgangsregeling van het eigen beheer pensioen.

In eerste instantie heeft de Tweede Kamer verzocht om twee mogelijke oplossingsrichtingen op het gebied van het pensioen in eigen beheer (PEB) nader uit te werken. Hierbij gaat het om een fiscale reserve in eigen beheer voor de oude dag, de zogenoemde oudedagbestemmingsreserve (OBR), en een variant op een beschikbare premieregeling met een vast oprentingspercentage. Voor deze beschikbare premieregeling kan worden gedacht aan een regeling die wel bepaalde kenmerken heeft van een premie-overeenkomst, maar die op andere punten afwijkt van zo’n regeling. Dit kan bijvoorbeeld door het rendement op de in de onderneming aangewende premies niet daadwerkelijk op basis van het ondernemingsresultaat te bepalen, maar door uit te gaan van een fictief rendement op basis van een marktrente.

Uitgangspunten
Een belangrijk uitgangspunt volgens de brief van Wiebes is gelegen in het feit dat de DGA over de ingelegde middelen moet kunnen beschikken voor (de financiering van) de eigen onderneming. Binnen een alternatief systeem moet het mogelijk blijven om voorzieningen te treffen voor (potentiële) nabestaanden. De vormgeving van het overgangsrecht is eveneens een belangrijk aspect binnen de oplossingsrichtingen. Er vindt immers een substantiële vereenvoudiging plaats als voldoende mensen ook voor hun bestaande rechten overstappen naar het nieuwe systeem.

Er wordt gesuggereerd om een uitfasering van pensioen in eigen beheer mee te nemen in de afwegingen, mits dit begeleid wordt door een aantrekkelijke overgangsregeling. Hiermee worden mogelijk sturingsmaatregelen getroffen en zijn veelal in het belang van de DGA.

Twee oplossingsrichtingensplitsing
De oudedagbestemmingsreserve (OBR) zou een faciliteit in de vennootschaps-belasting moeten worden waarbij belastingvrij vermogen wordt gereserveerd voor de toekomstige aanwending voor een oudedagsvoorziening voor een DGA, zonder dat in de opbouwfase reeds juridisch afdwingbare rechten aan de DGA worden toegekend.

De tweede mogelijke oplossingsrichting voor het huidige pensioen in eigen beheer betreft het oudedagssparen binnen de BV. Voor het oudedagssparen moet in de loonbelasting een nieuw wettelijk kader worden ontwikkeld dat naast de bestaande regelingen voor (extern op te bouwen) eindloon-, middelloon- en beschikbare premieregelingen komt.

Opbouwfase
De grondslag voor de dotatie aan de OBR wordt gevormd door het fiscaal in aanmerking te nemen loon van de DGA in het dotatiejaar, tot een maximumloon per DGA van € 100.000, op welk loon de franchise van € 11.936 (bedrag 2015) in aftrek komt. In dit kader kan voor het begrip loon worden aangesloten bij het belastbare loon in de zin van de Wet IB 2001, zoals dat bijvoorbeeld ook in artikel 3.127 van de Wet IB 2001 wordt meegenomen bij de bepaling van de premiegrondslag ten behoeve van de jaar- en reserveringsruimte.

Dotatie
Het dotatiepercentage over de grondslag bij de OBR bedraagt voor iedere DGA maximaal een vast percentage. Het ‘dotatiepercentage’ is een vast maximaal aftrekpercentage waarbij niet apart rekening wordt gehouden met leeftijd, sterftekansen e.d. Indien in een bepaald jaar géén of onvoldoende winst wordt behaald, kan dotatie tot een verlies leiden.

De jaarlijkse dotatie kan bij het oudedagssparen worden gebaseerd op een speciaal voor de DGA geldende maximumstaffel. Een alternatief hiervoor kan een vast opbouwpercentage zijn. Jaarlijks kan worden gekozen of een bedrag voor het oudedagssparen opzij wordt gezet en zo ja, hoeveel opzij wordt gezet. In latere jaren is geen inhaal mogelijk.

Balanswaardering
Fiscaal behoort de OBR tot het fiscale vermogen. Het is namelijk een bestemmings-reserve. De OBR kent in de opbouwfase géén juridisch afdwingbare verplichting vanuit de vennootschap. De verplichting hoeft waarschijnlijk niet te worden opgevoerd op de commerciële balans.

De oudedagsspaarverplichting komt op de balans en vertegenwoordigt de aanspraak van de DGA. Deze oudedagsspaarverplichting vormt fiscaal bezien vreemd vermogen. Commercieel wordt de oudedagssparen ook als vreemd vermogen beschouwd.

Uitkeringsfase
Bij de keuze van zowel OBR als oudedagssparen dient uiterlijk op het verplichte aanwendingsmoment (pensioendatum?) aangewend te worden voor de aankoop van een lijfrente, lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht. Het betreft een verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen gedurende (in beginsel) 20 jaren aan de DGA vanuit het eigenbeheerlichaam, een professionele verzekeraar, bank of beheerder van een beleggingsinstelling. Indien op het verplichte aanwendingstijdstip geen uitkering plaatsvindt, valt de reserve vrij ten bate van de winst. Dat zal – naast verschuldigdheid van vennootschapsbelasting – tevens leiden tot verschuldigdheid van een rentevergoeding aan de fiscus.

In het voorstel wordt gesproken over hoofdelijke aansprakelijkheid van de DGA op grond van bestaande aansprakelijkheid voor vennootschapsbelasting van bestuurders in de Invorderingswet 1990.

Belaste uitkeringen
De lijfrente-uitkeringen binnen de OBR worden bij de DGA in box 1 belast (inclusief voorheffing van loonbelasting). Bij de periodieke uitkeringen aan de DGA vanuit het eigenbeheerlichaam zijn de uitkeringen ook in box 1 belast.

Bij het oudedagssparen wordt het mogelijk het opgebouwde kapitaal in het eigenbeheerlichaam af te bouwen in een periode van 20 jaar, door het doen van (afgezien van de oprenting) gelijkmatige uitkeringen. Omdat de uitkeringen niet afhankelijk zijn van sterftekansen en dergelijke, is de waardering zowel commercieel als fiscaal zonder ingewikkelde actuariële berekeningen te maken. Wel wordt het deel van het bedrag dat nog niet is uitgekeerd jaarlijks opgerent met de op het marktrente gebaseerde U-rendement.

Partnerpensioen
In de opbouwfase bij het OBR heeft de DGA, noch de partner juridisch afdwingbare aanspraken richting de vennootschap. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de WVPS niet van toepassing is. De financiële positie van de partner zal daarom op een andere manier door betrokkenen geregeld moeten worden. Zo kan een deel van de dotatie aan de OBR of van het opgebouwde bedrag aan OBR door de vennootschap worden gebruikt voor het extern verzekeren van een eigen recht op een voorziening voor de partner van de DGA.

Het oudedagssparen is op basis van de huidige definitie geen pensioen in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Eventueel kan de wet worden aangepast zodat het oudedagssparen wel hieronder valt.

Overgangsrecht
Het overgangsrecht OBR spreekt over de mogelijkheid om wel of niet over te stappen naar een OBR en bestaande pensioenrechten in stand te houden. De bestaande pensioenverplichting kan zonder het verschuldigd worden van loonheffing of vennootschaps-belasting worden omgezet in een OBR ter grootte van de fiscale waarde van de pensioenverplichting.

De fiscale pensioenverplichting kan bij ouderdagssparen ook zonder heffing worden omgezet in een oudedagsspaarverplichting ter grootte van de fiscale pensioenverplichting. Dit betekent feitelijk ‘afzien van pensioenrechten’ in combinatie met een wijziging van de resterende rechten in een aanspraak ter zake van oudedagssparen. Dit vereist in ieder geval instemming en het mede ondertekenen door de DGA en diens partner.

OBR of Oudedagssparen?
De staatssecretaris heeft de voorkeur voor oudedagssparen. Het moment van invoeren van de gewijzigde wetgeving, in oorsprong 1 januari 2016, staat niet vast. Zorgvuldigheid gaat voor snelheid.

Voor pensioenadviseurs en DGA’s zijn de oplossingsrichtingen breed omschreven, het overgangsrecht biedt op dit moment nog geen zekerheid en de hoofdelijke aansprakelijkheid kan ervoor zorgen dat een groot deel van de bestaande pensioenrechten in stand blijft op de huidige grondslagen. De afweging wordt dan mede óf met name afhankelijk van de fiscale stimuleringsmaatregelingen voor de DGA.

Bron: Pensioen & Planning Nederland