Flexibele AOW: de gevolgen

23 juni, geplaatst in Accountant / Fiscalist / Advocaat / Notaris / HR Adviseur, Ondernemer / DGA, Werkgever, Werknemer / Lid OR

De AOW-leeftijd wordt in 2020 66 jaar, maar minister Henk Kamp (Sociale Zaken) wil al vanaf 2013 doorwerken na je 65e verjaardag belonen met een hogere uitkering: De geboorte van de flexibele AOW.

Later met AOW gaan, hoe werkt dat?
Voor elk jaar dat iemand langer werkt, wordt de AOW-uitkering 6,5 procent verhoogd. Mensen die doorwerken kunnen zo hun AOW maximaal vijf jaar uitstellen. Dat blijkt uit een voorontwerp van wetgeving, waaraan de minister werkt om het pensioenakkoord tussen het kabinet, werkgevers en de vakbeweging uit te voeren.

Eerder of in deeltijd met AOW kan ook
Zodra de AOW-leeftijd naar 66 en 67 jaar gaat, kunnen mensen toch nog op hun 65e of 66e te stoppen met werken. Maar elk jaar dat eerder wordt gestopt, betekent een korting van 6,5 procent op de uitkering. Ook kunnen ouderen besluiten vanaf 65 jaar in deeltijd AOW op te nemen of juist in deeltijd langer door te werken.

Koppeling aan stijgende levensverwachting
Het pensioenakkoord gaat verder dan een eerder ingediend wetsvoorstel. Het minderheidskabinet van VVD en CDA heeft met gedoogpartner PVV afgesproken dat de AOW-leeftijd van 65 naar 66 jaar gaat. Volgens het akkoord met sociale partner wordt de pensioenleeftijd na 2020 gekoppeld aan de stijgende levensverwachting en gaat de AOW-leeftijd in 2025 naar 67 jaar.

Hogere pensioenopbouw?
Een latere AOW-leeftijd en langer doorwerken, biedt de mogelijkheid gedurende een langere periode het pensioeninkomen bij elkaar te sparen. Zo wordt een hoger pensioen bereikt. Daarmee gaan de pensioenkosten echter ook omhoog en dat was niet afgesproken in het pensioenakkoord. Bovendien moet het nieuwe pensioenstelsel een bezuiniging opleveren van ca. € 4 miljard.

Dus minder pensioenopbouw…
De uitgangspunten van € 4 miljard bezuinigen, geen stijgende werkgeverslasten en evenveel pensioeninkomen worden bereikt door per jaar minder pensioen op te bouwen. Dit staat in het wetsontwerp. De zgn. Witteveen-kaders voor o.a. maximale pensioenopbouw, worden naar beneden toe bijgesteld. Zo was het plan om pensioenopbouw volgens eindloon van 2,0% naar 1,75% opbouw per jaar te verlagen. Bij een middelloonregeling zou dit resp. van 2,25% naar 2,0% gaan. Deze verlagingen van de pensioenopbouw zijn echter veel groter dan de extra pensioenaanwas door 1 of 2 jaar langer door te werken. Per saldo zou de pensioenopbouw sterk naar beneden gaan.

Toch meer pensioenopbouw
In de brief die minister Kamp op 10 juni jl. naar de Tweede Kamer stuurde staat het volgende: “De opbouwpercentages blijven gelijk. (…). In het wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd wordt uitgegaan van een pensioenrichtleeftijd van 66 jaar vanaf 2013 en verlaging van de opbouwpercentages; het wetsvoorstel zal op deze punten worden aangepast.” M.a.w.: er komt een pensioenopbouwjaar bij, namelijk van 65 tot 66 jaar en later tot 67 jaar en de opbouwpercentages worden niet verlaagd! Dit zijn ook duurdere pensioeninkoopjaren dan die van een instromende 25-er. Dit werkt derhalve kostenverhogend en dat is wat werkgevers verenigd in het VNO-NCW nu net niet wilden. Bovendien was het ook niet zo in het pensioenakkoord afgesproken.
Wij verwachten dan ook dat werkgevers voorstellen zullen gaan doen om het opbouwpercentage alsnog te verlagen, teneinde de pensioenkosten ‘stabiel’ te houden.

Geen compensatie mogelijk in derde pijler?
Via de IB-aangifte is aftrek van lijfrentestortingen mogelijk. Hiervoor geldt een formule waarvan de uitkomst aangeeft hoeveel lijfrentestorting van het inkomen afgetrokken kan worden. Deze formule wordt aangepast, zodanig dat ook met lijfrentestortingen minder ‘pensioen’ in privé kan worden opgebouwd. Dit was de stand van zaken op 9 juni 2011.
Nu minister Kamp toch niet de opbouwpercentages van het pensioen wil aanpassen, zal mogelijk de aanpassing van de lijfrente-aftrek ook niet ingevoerd worden. Momenteel (28 juni) is daar nog geen duidelijkheid over.

Arbeidsmarkt komt in de knel
Langer doorwerken wordt dus mogelijk gemaakt, maar de financiële vrijheid om eerder (deels) te stoppen met werken wordt beknot. Met dit tegengestelde effect komt de arbeidsmarkt zwaar in de knel. Dit wordt nog versterkt door de ongunstig wordende verhouding tussen werkenden en gepensioneerden.

Waar blijft de vitaliteitsregeling?
We hebben nu spaarloon- en levensloopregelingen. Het plan (Prinsjesdag 2009) is om deze te vervangen door de nieuwe vitaliteitsregeling. Voortekenen wijzen op een gepimpte levensloopregeling met scherpe door de overheid opgelegde criteria. Dat gaat wringen. Juist met de vitaliteitsregeling zou de spanning tussen de financiële beperktheid als gevolg van het nieuwe pensioenstelsel en de krappe arbeidsmarkt flexibel ingevuld kunnen worden. Zo zouden we de vrijheid moeten krijgen om eerder, deels of via demotie de oudere werknemer inzetbaar te houden en deze de ruimte te geven om het inkomen flexibel aan te vullen vanuit het gespaarde vitaliteitssaldo.