Kabinet: doorsneepremie heeft z’n langste tijd gehad

9 juli, geplaatst in Accountant / Fiscalist / Advocaat / Notaris / HR Adviseur, Werkgever, Werknemer / Lid OR

Pensioenfondsen hanteren een doorsneepremie en die moet worden afgeschaft. Bovendien moet er voor gezorgd worden dat iedere werkende, ook zelfstandigen, in Nederland regelt dat hij voldoende spaart voor de oudedag. Dat zijn de hoogte-punten van de hoofdlijnen van een meer toekomstbestendig pensioen-stelsel die staatssecretaris Jetta Klijnsma op maandag 6 juli bekend maakte.

doorsneepremie versus actuariële premieBij de systematiek van de doorsnee-premie betaalt elke werknemer evenveel premie, bijvoorbeeld 25% van de pensioengrondslag. Jongeren bouwen hiermee evenveel pensioen op als ouderen. Dat is onlogisch omdat de premies die jongeren betalen veel langer kunnen renderen. Jongeren betalen met de doorsneepremie dus mee aan het pensioen van ouderen.

Meer balans tussen premie en pensioen
Het kabinet wil dat deze doorsneesystematiek vanaf 2020 wordt afgebouwd, waarna de opbouw van een nieuwe systematiek van pensioenopbouw kan beginnen. De nieuwe systematiek moet actuarieel rechtvaardig zijn, vindt het kabinet: er moet balans zijn in de Generatie conflictrelatie tussen premie en de opbouw van pensioenaanspraken en op voorhand is er geen herverdeling tussen leeftijdsgroepen. Volgens Klijnsma levert dat drie voordelen op: “Een belangrijke bron van ondoorzichtige en moeilijk uitlegbare herver-deling verdwijnt, het bevordert een soepele werking van de arbeidsmarkt en het draagt bij aan de flexibiliteit van het stelsel.”

Afnemende pensioenopbouw
De voorkeur van het kabinet gaat uit naar een systematiek met een degressieve opbouw: werknemers blijven dezelfde premies betalen, maar bouwen daarmee een pensioenaanspraak op die afneemt met de leeftijd. “Dit is een systematiek waarin jong en oud op elk moment in hun loopbaan een actuarieel correct pensioen opbouwt en gelijke kansen op de arbeidsmarkt behoudt”, beargumenteert Klijnsma.

Verplicht sparen voor pensioen blijft
Het kabinet pleit voor een blijvende verplichtstelling. Klijnsma: “Een vorm van verplichtstelling is een manier om te voorkomen dat werknemers te weinig sparen, verplichte pensioenopbouwverschaft continuïteit om welvaartswinst van collectieve risicodeling te kunnen incasseren en kan neerwaartse concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegengaan.” Tegelijkertijd is de regering zich ervan bewust dat in de veranderende arbeidsmarkt meer flexibiliteit wordt gewenst. Dus wil Klijnsma toewerken naar een gedifferentieerde aanpak om alle werkenden te helpen bij de opbouw van een adequaat aanvullend pensioen. “Niet te weinig én niet te veel”, zegt Klijnsma. Het is jammer dat de staatssecretaris over die aanpak geen duidelijkheid geeft: “Het kabinet wil daartoe onder meer samen met sociale partners en zelfstandigenorganisaties verder de mogelijkheden verkennen.” Daarmee lijkt een snelle besluitvorming op voorhand niet te verwachten.

Meer keuze, meer maatwerk
De regering kijkt naast de gedifferentieerde aanpak ook naar de mogelijkheid om meer maatwerk en keuzemogelijkheden te bieden. Werkenden moeten meer mogelijkheden krijgen om hun pensioenopbouw af te stemmen op hun persoonlijke voorkeuren. De ongeveer 20% van het salaris die nu standaard in het pensioen wordt gestopt kan omlaag worden geschaald in dure tijden. Op deze manier kan de dynamiek van de levenscyclus van een werkende levenscyclusaanleiding zijn tot een volatieler verloop van de te betalen pensioenpremie. Daarnaast pleit het kabinet voor meer transparantie en eenvoud, onder meer in de pensioen-overeenkomst, waarin de risico’s duidelijk gemaakt moeten worden.

Hoe verder?
Het kabinet wil de komende tijd de hoofdlijnen voor het nieuwe pensioenstelsel verder uitwerken. Niet duidelijk is of in deze fase het kabinet dat alleen wil doen of ook in overleg met sociale partners en zelfstandigenorganisaties. Klijnsma noemt het een ‘bijzonder complex en veelomvattend traject’ en spreekt de verwachting uit dat het een aantal jaren in beslag zal nemen. In het najaar (van 2015) zal de staatssecretaris een werkprogramma aan de Tweede Kaer is nog veel werk te doenmer sturen, waarin duidelijk zal worden welke  stappen gezet moeten gaan worden. De eerste resultaten moeten in elk geval in 2020 zichtbaar worden. Dan wil het kabinet dus een begin maken met de doorsneesystematiek af te schaffen, maar moet ook de ontwikkeling van de nieuwe pensioenregeling met meer keuzevrijheid en maatwerk tot resultaat gaan leiden.